Aflevering 13 - 2018

Hieronder treft u uit aflevering 13, 2018 aan:

  • de samenvattingen van de artikelen
  • één complete annotatie

De overige annotaties en de complete artikelen van deze aflevering zijn online uitsluitend beschikbaar voor de online abonnees.

Via het archief kunt u de samenvattingen van de artikelen en één annotatie per aflevering eveneens nalezen.

Heeft de toekenning van een billijke vergoeding invloed op de WW-uitkering van de werknemer?

Na een ontslag heeft de werknemer in een aanhangig gemaakte procedure veelal de keuze tussen enerzijds het doen van een verzoek tot vernietiging van de opzegging of herstel van de arbeidsovereenkomst en anderzijds de toekenning van een billijke vergoeding. In deze bijdrage wordt onderzocht of de keuze voor de toekenning van een billijke vergoeding in plaats van herleving van de arbeidsovereenkomst gevolgen heeft voor het recht op, dan wel de uitbetaling van, een WW-uitkering.

Bespreking van het rapport over het vertrek van Beatrix Ruf als directeur van het Stedelijk Museum vanuit ontslagrechtelijk perspectief

Op 4 juni 2018 hebben mrs. S.E. Eisma en J.A.J. Peeters aan het College van B&W van de gemeente Amsterdam een rapport uitgebracht over “Governance en de Wnt”. Dat rapport betreft bevindingen ten aanzien van het vertrek van Beatrix Ruf als artistiek directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam. Het rapport wordt in deze bijdrage vanuit ontslagrechtelijk perspectief besproken.

De Wbb regelt de bescherming van bedrijfsgeheimen in Nederland maar alleen indien werkgevers zelf moeite doen informatie geheim te houden.

De Wet bescherming bedrijfsgeheimen (“Wbb”) is op 23 oktober 2018 in werking getreden en implementeert een Europese richtlijn. De Wbb biedt geen nieuwe instrumenten om bedrijfsgeheimen te beschermen of om een inbreukmaker aan te pakken. Wel bestempelt de Wbb een aantal specifieke situaties als onrechtmatig. Bescherming onder de Wbb is alleen mogelijk wanneer door de werkgever passende maatregelen zijn getroffen die het openbaren van bedrijfsgeheimen moeten tegengaan en sanctioneren. Het blijft noodzakelijk om in arbeidsovereenkomsten beperkende bedingen zoals een geheimhoudingsbeding overeen te komen althans om technische voorzorgsmaatregelen te treffen.

ECLI:NL:HR:2018:1812, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑09‑2018
ECLI:NL:PHR:2018:497, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑05‑2018
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑10‑2017

Art. 7:686a, 7:671b en 7:671c BW; art. 19 en 23 Rv

Inleiding

Kan de rechter ook bij toekenning van een transitievergoeding de mogelijkheid bieden om het ontbindingsverzoek in te trekken? In de BAM-beschikking heeft de Hoge Raad beslist dat dat niet moet, maar wel mag, en dan alleen als daarom is verzocht.
Feiten en procesverloop
BAM verzoekt de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van art. 7:669 lid 3 onder e BW wegens ernstig verwijtbaar handelen. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen maar wel van een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter ontbindt, voor zover BAM het ontbindingsverzoek niet uiterlijk op 12 december 2016 intrekt, de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2017 en bepaalt, voor zover het verzoek niet wordt ingetrokken, dat BAM aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is van € 47.312,--. BAM trekt vervolgens het ontbindingsverzoek in. De werknemer gaat in hoger beroep bij het Hof ’s-Hertogenbosch en voert aan dat de kantonrechter BAM ten onrechte de gelegenheid heeft gegeven het ontbindingsverzoek in te trekken. Het hof oordeelt – kort gezegd – dat art. 7:686a lid 6 BW niet uitsluit dat de kantonrechter BAM gelegenheid geeft het verzoek in te trekken en dat de kantonrechter in dit geval voldoende reden en aanleiding had om een voorwaardelijke beschikking te geven. De werknemer gaat in cassatie.


Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat ingevolge art. 7:686a lid 6 BW de rechter alleen verplicht is om gelegenheid te geven het verzoek in te trekken als hij een vergoeding toekent aan de verwerende partij zoals bedoeld in de daar genoemde art. 7:671b BW of 7:671c BW. De verplichting geldt daarom niet als de werkgever tot betaling van een transitievergoeding wordt veroordeeld. Het is de rechter wel toegestaan een voorwaardelijke beslissing te geven met de voorwaarde dat het ontbindingsverzoek niet voor een bepaalde datum wordt ingetrokken. De rechter kan dat ook doen door in een tussenuitspraak aan te kondigen dat hij het voornemen heeft tot ontbinding over te gaan, met daaraan verbonden een billijke vergoeding of een transitievergoeding, waarbij hij verzoeker gedurende een bepaalde periode in de gelegenheid stelt het ontbindingsverzoek in te trekken. Bij gebreke daarvan volgt dan een einduitspraak overeenkomstig dat voornemen.
Uit art. 23 Rv volgt dat de rechter zo’n voorwaardelijke beslissing niet ambtshalve mag geven, maar alleen als dat is verzocht of in het verzoek besloten ligt. Ook moet de rechter partijen over en weer in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de toewijsbaarheid van de voorwaardelijke beslissing, en over elkaars standpunten (art. 19 Rv). In de onderhavige zaak blijkt niet dat BAM om een voorwaardelijke beslissing had verzocht, dan wel dat een dergelijke beslissing in haar verzoek besloten lag. De cassatieklacht treft dan ook doel en het geding wordt verwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.

 Noot

 

De praktijk tot nog toe

Art. 7:686a lid 6 BW luidt:
“Alvorens een ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b of 671c waaraan een vergoeding verbonden wordt, uit te spreken, stelt de rechter de partijen van zijn voornemen in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken.”
De vraag was dan ook of het hier gaat om een vergoeding verbonden aan de ontbinding of om een specifiek in deze artikelen genoemde vergoeding. De rechtspraak van na de invoering van de Wwz laat zien dat kantonrechters sindsdien veelal ook bij het (al dan niet alleen) toekennen van de transitievergoeding een termijn gegeven tot intrekking van het ontbindingsverzoek. Dat gebeurt, voor zover dat uit de betreffende beschikking kan worden opgemaakt, bijna altijd zonder dat daar specifiek om is verzocht, waarbij er kennelijk vanuit wordt gegaan dat de bevoegdheid van de rechter tot het bieden van de intrekkingsmogelijkheid voortvloeit uit art. 7:686a lid 6 BW. In de parlementaire wetsgeschiedenis ontbreekt een toelichting waarom de transitievergoeding niet, en andere aan de ontbinding verbonden vergoedingen wel tot een intrekkingsmogelijkheid leiden. Voor zover mij bekend is in hoger beroep over de intrekkingsmogelijkheid in relatie tot de transitievergoeding nauwelijks geprocedeerd. Naast de onderhavige bestreden beschikking van het Hof ’s-Hertogenbosch is mij slechts één andere uitspraak bekend, waarin het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat er geen aanleiding is om het woord ‘vergoeding’ in lid 6 en 7 van art. 7:686a BW zo beperkt uit te leggen dat de transitievergoeding daaronder niet wordt begrepen (ECLI:NL:GHARL:2016:6140).
Tegen de achtergrond van een niet heel duidelijk geformuleerd art. 7:686a lid 6 BW, de wetenschap dat de Wwz op niet alle onderdelen even doordacht en met veel haast is ingevoerd en voornoemde beschikking van het Hof Arnhem-Leeuwarden, is het begrijpelijk dat veel kantonrechters ervan zijn uitgegaan dat met “een vergoeding” ook de aan de ontbinding verbonden transitievergoeding bedoeld werd. Uitzonderingen hierop zijn bijvoorbeeld de kantonrechter in de Rechtbank Noord-Holland en Noord-Nederland (in ECLI:NL:RBNHO:2017:9526 en ECLI:NL:RBNNE:2016:6811), die de intrekkingsmogelijkheid niet boden.


Op welke vergoedingen ziet art. 7:686a lid 6 BW?

De vergoeding van art. 7:686a lid 6 BW ziet ingevolge art. 7:671b BW (het werkgeversverzoek tot ontbinding) op:
a)
de billijke vergoeding indien

de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever; en

bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd,
b)
de vergoeding gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd bij een einde van rechtswege; en
c)
de vergoeding toe te kennen aan de werkgever gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd bij een einde van rechtswege die de werknemer verschuldigd is als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
Kortom: de billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en twee vormen van (“gefixeerde”) schadevergoeding bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijdse opzegmogelijkheid. Voor art. 7:671c BW (het werknemersverzoek) geldt een spiegelbeeldige situatie. Uit de hiervoor opgesomde vergoedingen en in het bijzonder die onder c) volgt dat de formulering van de Hoge Raad in de onderhavige beschikking, dat de rechter alleen verplicht is om gelegenheid te geven het verzoek in te trekken als hij een vergoeding toekent aan de verwerende partij te beperkt is. De vergoeding onder c), als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werknemer, is immers een vergoeding die wordt toegekend aan de werkgever als verzoekende partij. Nu een motivering bij deze beperking ontbreekt, ga ik uit van een verschrijving van de Hoge Raad. Wel gaat het in art. 7:686a lid 6 BW uitsluitend om strikt aan de ontbinding door de kantonrechter gekoppelde vergoedingen en niet om bijvoorbeeld een aan het ontslag op staande voet gekoppelde (billijke) vergoeding. De Hoge Raad overweegt terecht dat de transitievergoeding niet genoemd wordt bij de in de artikelen 7:671b en 7:671c BW genoemde vergoedingen en de verplichting tot het geven van een intrekkingsmogelijkheid zich dus niet uitstrekt tot de transitievergoeding. Minder sterk hier lijkt de toevoeging van de Hoge Raad waarmee het afwijkende karakter van de transitievergoeding wordt benadrukt, namelijk dat de verschuldigdheid van de transitievergoeding rechtstreeks voortvloeit uit art. 7:673 BW en de hoogte volgens vaste regels wordt berekend. In de praktijk komt de invordering van de transitievergoeding juist vaak in combinatie met een ontbindingsverzoek bij de rechter te liggen en kan er in rechte uitvoerig gediscussieerd worden over de hoogte en berekeningswijze van de transitievergoeding. Nu de transitievergoeding ook niet meer de strikt exclusieve vergoeding is die de gevolgen van het ontslag compenseert (New Hairstyle) en bij de hoogte van de billijke vergoeding ook rekening gehouden kan worden met de hoogte van de overige toe te kennen vergoedingen, is de transitievergoeding in de praktijk een vergoeding die voor wat betreft de verbondenheid met het ontbindingsverzoek niet wezenlijk van de andere door de rechter toe te kennen vergoedingen afwijkt. De verzoeker van het ontbindingsverzoek kan een gerechtvaardigd belang hebben om het verzoek in te trekken bij een tegenvallende vergoeding. Dit geldt ook voor de transitievergoeding.


Geen transitievergoeding of een combinatie met de transitievergoeding

Wat geldt als er geen transitievergoeding bij de ontbinding wordt toegekend? Art. 7:686a lid 7 BW verklaart de verplichte intrekkingsmogelijkheid van lid 6 van overeenkomstige toepassing voor het geval er geen vergoeding aan de ontbinding wordt verbonden. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad betekent dit dat ook als er geen transitievergoeding wordt toegekend maar wel voor dat geval verzocht is om een intrekkingsmogelijkheid, de rechter die kan bieden. Als er sprake is van een combinatie van een billijke vergoeding en transitievergoeding zal de rechter moeten nagaan, met het oog op het in art. 23 Rv neergelegde verbod voor de rechter om meer of anders toe te wijzen dan is verzocht, of de intrekkingsmogelijkheid bij het al dan niet toekennen van een transitievergoeding daadwerkelijk is verzocht. Als dat niet zo is, dan zal in de voorwaardelijke ontbindingsbeslissing de transitievergoeding losgekoppeld moeten worden van de intrekkingsmogelijkheid ten aanzien van de andere vergoedingen.

Verplichte toewijzing van intrekkingsmogelijkheid?

De rechter is naar mijn mening niet verplicht het intrekkingsverzoek te honoreren, in het bijzonder niet als dat verzoek betwist wordt of ongemotiveerd is. Enige motivering van het intrekkingsverzoek is wel vereist, zeker nu, anders dan voor invoering van de Wwz, tegen een onwelgevallige beslissing van de rechter hoger beroep tegen de ontbindingsbeschikking openstaat. De verzoekende partij zal ermee rekening moeten houden dat van zijn verzoek mogelijk enige reflexwerking uitgaat bij de beoordeling door de rechter van de ontbinding zelf als het gaat om de vraag of (bij een werkgeversverzoek) voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet gevergd kan worden of om de vraag (bij een werknemersverzoek) of er sprake is van zodanige omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd moet eindigen. Verder moet worden aangenomen dat de arbeidsverhouding een behoorlijke deuk heeft opgelopen als na een tegenvallende vergoeding het ontbindingsverzoek wordt ingetrokken en de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet. Ook daarom is een goede motivering waarom die intrekkingsmogelijkheid moet worden opengehouden, op zijn plaats.

Ruime toepassing in andere procedures?

In de Mediant-beschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Wwz er niet aan in de weg staat dat aan een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst een voorwaarde wordt verbonden. Kan op basis van de uitspraak van de Hoge Raad in de BAM-zaak worden geconcludeerd dat ook in andere arbeidsrechtelijke (beëindigings)procedures een voorwaardelijke beslissing kan worden gegeven? Rechtsoverweging 3.3.4 lijkt dat inderdaad te impliceren, nu wordt overwogen dat het oordeel dat het de rechter is toegestaan een voorwaardelijke beslissing te geven, juist is. Gelet echter op het motiveringsvereiste en de hiervoor genoemde reflexwerking op de inhoudelijke stellingen, verwacht ik niet dat deze manier van procederen heel populair zal worden. Kortom: het kan wel, maar of het baat valt te betwijfelen.