Aflevering 3

Hoever kan richtlijnconforme interpretatie van een nationale regeling (zoals de Nederlandse vakantieregeling) gaan en welke alternatieven zijn er als richtlijnconforme uitleg niet mogelijk is?

Na het Schultz-Hoff-arrest is duidelijk dat de Nederlandse vakantieregeling (art. 7:635 lid 4 BW) in strijd is met richtlijn 2003/88/EG. In deze bijdrage wordt aan de hand van de jurisprudentie van het HvJ EG onderzocht wat de reikwijdte is van de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie. Dit onderzoek leidt tot de conclusie dat een richtlijnconforme uitlegging van art. 7:635 lid 4 BW niet mogelijk is. Vervolgens wordt bezien welke mogelijkheden de (zieke) werknemer heeft om zijn Europese (vakantie)rekening toch betaald te krijgen door de werkgever of de staat.

Welke voor het arbeidsrecht interessante ontwikkelingen laat de WIA – vier jaar na de invoering ervan – zien?

Het wettelijke stelsel van inkomensbescherming bij langdurige ziekte wijzigde ingrijpend per 1 januari 2004. De duur van de loonbetalingsplicht bij ziekte van een werknemer wijzigde van 52 naar 104 weken (art. 7:629 lid 1 BW). Dit ging gepaard met invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 29 december 2005. Vier jaar later kunnen we, mede aan de hand van de rechtspraak , enkele relevante ontwikkelingen belichten. Deze bijdrage behandelt enkele deelonderwerpen die voor zowel verzekerden als voor werkgevers relevant zijn, financieringsaspecten, de loonsanctie, het onderscheid tussen IVA en WGA, en de verkorte wachttijd voor de IVA.

Wat zijn de gevolgen indien de arbeidsongeschikte werknemer na 104 weken bij de eigen werkgever passende arbeid verricht?

De Wet verbetering poortwachter stimuleert het verrichten van passende arbeid bij de eigen werkgever. Ook na 104 weken loondoorbetaling. Wanneer de gere-integreerde werknemer dan hernieuwd uitvalt, kan onduidelijk zijn of een aanspraak bestaat op loondoorbetaling door de werkgever of ziekengeld (ZW). Bovendien blijkt dat het BW en de ZW niet op elkaar aansluiten, met als gevolg dat zowel de WIA-gerechtigde als de 35-minner in de huidige systematiek buiten de boot valt. Hoe moet dit worden opgelost en, belangrijker, door wie?

CRvB 24 november 2009 nr. 08/5521 WWB, LJN BK4057; USZ 2009/381, m. nt. A.E.L.T. Balkema, AB 2010,44, m.nt. H.E. Bröring

Art. 8 EVRM; art. 17 en 53a lid 2 WWB
Sociale zekerheid bijstand 

Feiten

Een bijstandscliënte ontvangt sinds 2002 bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder. Op 27 maart 2006 volgt een onaangekondigd huisbezoek van twee medewerkers van gemeente A. Aanleiding voor dit huisbezoek is een anonieme tip, waarin wordt gesteld dat betrokkene samenwoont met de vader van haar kinderen. In de woning van bijstandscliënte treffen eerdergenoemde medewerkers persoonlijke bezittingen aan van een zekere C.D. Volgens bijstandscliënte verblijft C.D. al enige tijd veel in haar woning, waar hij ook regelmatig overnacht. Dit vanwege de hartklachten van haar dochtertje en haar eigen fobie. Zij stelt echter dat zij er nog niet aan toe zijn om te gaan samenwonen. Verder verklaart zij dat huisarts en woningbouwvereniging van de situatie op de hoogte zijn en dat zij meende dat de informatie over haar leefsituatie daarom ook aan de gemeente was gemeld. Na dit huisbezoek volgt een nader (dossier)onderzoek door de sociale recherche van gemeente A. Tevens wordt C.D. gehoord alsmede enkele naaste buren en wordt informatie bij de nutsbedrijven opgevraagd. De resultaten van dit nader onderzoek worden vastgelegd in een ‘rapport uitkeringsfraude’ van 19 oktober 2006. Vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in art. 3 lid 3 WWB volgt intrekking en terugvordering van het recht op bijstand.

Oordeel Centrale Raad van Beroep

De Raad staat voor de vraag of het huisbezoek van 27 maart 2006 onrechtmatig was en indien dat het geval is, of dat tot gevolg heeft dat de bevindingen van dat huisbezoek en de resultaten van het nader onderzoek buiten beschouwing moeten worden gelaten. Van belang hierbij is art. 8 EVRM inzake het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, in het kader van huisbezoeken en de WWB vaak aangeduid als het huisrecht. De Raad verwijst eerst naar zijn eerdere jurisprudentie van 11 april 2007 (gepubliceerd in USZ 2007/136–139), waarin hij oordeelde dat geen sprake is van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in art. 8 EVRM als de bijstandsgerechtigde toestemming heeft gegeven voor het binnentreden van de woning. Die toestemming moet dan wel vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Hierbij grijpt de Raad in r.o. 6.3 gedeeltelijk terug op zijn overweging in eerdergenoemde uitspraken van 11 april 2007 over hetgeen hij verstaat onder ‘informed consent’. Dit houdt — kort gesteld — in dat de bijstandscliënt niet alleen vrijwillig toestemming heeft verleend zijn woning binnen te treden, maar ook dat hij voorafgaand aan het huisbezoek volledige en juiste informatie heeft gekregen over reden en doel van het huisbezoek. Nieuw is dat de Raad in zijn uitspraak van 24 november 2009 expliciet overweegt dat ‘informed consent’ ook betekent dat betrokkene over de gevolgen die het weigeren van een huisbezoek kan hebben voor de verdere verlening van het recht op bijstand wordt geïnformeerd. Welke gevolgen dit zijn, hangt aldus de Raad af van de vraag of er voorafgaand aan het huisbezoek een redelijke grond voor het huisbezoek bestond. Er bestaat een redelijke grond voor een huisbezoek, wanneer op grond van concrete en objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens voor zover van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Indien er een redelijke grond is voor een huisbezoek, dan dient de bijstandscliënt erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de (verdere) verlening van zijn recht op uitkering. Ontbreekt (direct) voorafgaand aan het huisbezoek deze redelijke grond, dan houdt ‘informed consent’ in dat betrokkene erop wordt geattendeerd dat het weigeren van een huisbezoek geen (directe) gevolgen heeft voor het recht op bijstand. De bewijslast dat sprake is geweest van ‘informed consent’ ligt bij het bestuursorgaan. Volgens de Raad was er in de onderhavige zaak geen redelijke grond voor een huisbezoek. Daarbij verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak (CRvB 2 oktober 2006, LJN BB5534), waaruit blijkt dat een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van degene die bijstand aanvraagt of ontvangt als zodanig geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek vormt. De Raad is in deze zaak van oordeel dat het huisbezoek onrechtmatig was. Voorafgaand aan het huisbezoek waren ook geen concrete feiten en omstandigheden aan het licht gekomen waardoor gemeente A. had moeten twijfelen aan de opgave van betrokkene dat zij niet samenwoonde.Deze uitspraak is vooral van belang vanwege het gestelde in rechtsoverweging 6.8.De Raad verwijst naar art. 53 lid 2 WWB, waarin is bepaald dat het college bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Tevens is hierin bepaald dat indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft het college kan besluiten tot herziening van de bijstand. Vervolgens overweegt de Raad: ‘Naar het oordeel van de Raad verzet geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen dat na een onrechtmatig bevonden huisbezoek een nader onderzoek wordt ingesteld naar de rechtmatigheid van verleende of nog te verlenen bijstand en dat de bevindingen van een dergelijk onderzoek bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken. Dat betekent dat de omstandigheid dat een huisbezoek onrechtmatig is in beginsel niet meebrengt dat de bevindingen uit een nader onderzoek niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is’. Hierbij introduceert de Raad nog wel een zeker ‘escape’, waar hij stelt: ‘Dit wordt eerst anders indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daarvoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat in het concrete geval is gebeurd.’

Commentaar

Bovenstaande uitspraak is een van een vijftal over huisbezoek en de WWB, gedaan door de CRvB op 24 november 2009. Drie ervan zijn gepubliceerd in USZ 2009/379, 380 en 381 (m.nt. A.E.L.T. Balkema), de overige twee zijn te vinden onder LJN BK4059 en BK4060. Deze uitspraken bieden niet alleen een verduidelijking van eerdergenoemde jurisprudentie van 11 april 2007 van de CRvB, maar bevatten ook enkele nieuwe aspecten. Zo maakt de onderhavige uitspraak duidelijk dat ‘informed consent’ — wanneer sprake is van een redelijke grond voor een huisbezoek — ook inhoudt dat aan betrokkene moet worden duidelijk gemaakt dat het niet verlenen van toestemming voor een huisbezoek gevolgen kan hebben voor het recht op uitkering. Dat lag nog anders in zijn uitspraak van 11 april 2007, USZ 2007/139, omdat daaruit naar voren kwam dat de consequenties van het weigeren van een huisbezoek niet expliciet meegedeeld dienden te worden aan betrokkene, wanneer er voorafgaand aan het huisbezoek een redelijke grond bestond te twijfelen aan de juistheid van eerdere verstrekte gegevens. Een dergelijke expliciete mededeling omvat meer dan alleen het uitdelen van een folder waarin de gemeente uitleg geeft over de regels inzake huisbezoek en de WWB, aldus CRvB 24 november 2009, LJN BK4060.Een ander belangwekkend aspect heeft betrekking op de waarde van de bewijsmiddelen die tijdens het onrechtmatige huisbezoek zijn verkregen ofwel, zoals de Raad dat treffend omschrijft, de ‘verboden vruchten’ van dat bezoek. In de hier besproken zaak was er voorafgaand aan het huisbezoek op 27 maart 2006 geen redelijke grond voor dit bezoek en geen sprake van ‘informed consent’, zodat de ‘verboden vruchten’ hiervan niet mee mochten tellen bij de vaststelling van het recht op bijstand. Het belang van de onderhavige uitspraak is dat gemeenten nu niet alleen weten dat zij bevoegd zijn een nader onderzoek in te stellen op grond van art. 53a lid 2 WWB, maar vooral ook dat dit mogelijk is na afloop van en naar aanleiding van een eerder onrechtmatig huisbezoek. Tevens is van belang dat de bijstand in de onderhavige zaak (alsmede LJN BK4059) mocht worden ingetrokken naar aanleiding van de resultaten van het vervolgonderzoek.In drie andere uitspraken van 24 november 2009 (USZ 2009/379 en 380 en LJN BK4060) werden de ‘verboden vruchten’ ondanks het ontbreken van de noodzakelijke mededeling inzake de gevolgen van een weigering van het huisbezoek in deze individuele gevallen wel als bewijs toegelaten. In deze zaken bestond voorafgaand aan het huisbezoek wel een redelijke grond voor een dergelijk bezoek. Daarbij merkte de Raad onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1992 (LJN ZC5028) op dat naar zijn oordeel echter niet kan worden gezegd dat het gebruikmaken door het College van hetgeen tijdens het huisbezoek is verklaard of waargenomen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In zijn uitspraak van 11 april 2007, USZ 2007/139 verwees de Raad naar laatstgenoemd arrest van de Hoge Raad. Daar lagen de omstandigheden anders, omdat daarin de ‘verboden vruchten’ van het onrechtmatige huisbezoek niet mocht worden meegenomen bij de vaststelling van het recht op bijstand. In de drie uitspraken waarin wel een redelijke grond bestond voor een huisbezoek, maar waarbij niet was voldaan aan alle vereisten van ‘informed consent’ laat de Raad meewegen dat betrokkene wel had dienen mee te werken aan het huisbezoek, wanneer hij althans juist zou zijn geïnformeerd over de gevolgen van zijn weigering. Het niet toestaan van een huisbezoek zou dan immers tot gevolg hebben dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en dat vormt reden tot afwijzing van het recht op uitkering. Bovengenoemde jurisprudentie biedt meer duidelijkheid omtrent het recht op privacy versus de behoefte aan vaak privacygevoelige informatie van gemeenten. Zowel bijstandscliënten als sociale diensten zijn hiermee gebaat.