Aflevering 10 - 2017

Hieronder treft u uit aflevering 10, 2017 aan:

  • de samenvattingen van de artikelen
  • één complete annotatie

De overige annotaties en de complete artikelen van deze aflevering zijn online uitsluitend beschikbaar voor de online abonnees.

Via het archief kunt u de samenvattingen van de artikelen en één annotatie per aflevering eveneens nalezen.

Voorwoord bij SPECIAL CONTRACTVORM EN ARBEIDSRECHTELIJKE BESCHERMING door prof. mr. W.L. Roozendaal en prof. mr. S.S.M. Peters

Het verhaal gaat, dat in het prille begin van de ruim honderd jaar dat de Wet op de Arbeidsovereenkomst bestaat, het sociaalrechtelijke landschap overzichtelijk was. De mensen waren gezagsgetrouw en gingen elke zondag naar de kerk. Je kon – als man, en kostwinner – kiezen tussen twee smaken: een voltijds arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of een voltijds arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Wie geen werknemer of ambtenaar was, was middenstander of een deftige bestuurder van een onderneming. Dit is de mythische droomtijd van het arbeidsrecht, en niemand weet precies wanneer het is begonnen. De mensen zelf wisten het destijds misschien ook wel niet – sommige kamerleden pleitten in 1907 voor een ander recht, niet een algemeen recht, dat voor alle werkenden hetzelfde was, maar een systeem met drie afzonderlijke regelingen, namelijk voor arbeiders in fabrieks- en handwerksnijverheid, voor dienstboden en voor alle overige in loondienst zijnde personen. De regering riposteerde dat dienstmeisjes, onderwijzers, bootwerkers, directeuren van NV’s etc. weliswaar onderscheiden gevallen zijn, “maar toch doet dit tot het hart van de zaak niet af, eenvoudig daarom niet, omdat uit rechtskundig en legislatief oogpunt (…) ondanks al die verscheidenheden de verschillende gevallen het algemeen karakter hebben en wij dezelfde karaktertrekken terugvinden bij elk arbeidscontract”.[1] De rechtskundigen zeiden dat het zo was. En zo zou het een tijd blijven.

Maar inmiddels weten we dat het niet klopt, die eenheid, die uniformiteit. In ieder geval sinds de jaren tachtig. Mensen bleken onderling te verschillen. Ze wilden meer keuzemogelijkheden. Vrouwen wilden ook werken. Geld verdienen en ondernemen kwam in de mode. Er kwamen allerlei vormen van flexibele arbeid zoals deeltijders, uitzendkrachten, freelancers, thuiswerkers, oproepkrachten met voorovereenkomsten of overeenkomsten met uitgestelde prestatieplicht en nulurencontracten. Deze variatie aan arbeidscontracten schuurde met het bestaande recht. Er ontstond een parallelle arbeidsmarkt met manieren van werken waar het recht niet op was ingericht. Vaak was niet duidelijk of het wel om een arbeidsovereenkomst ging.[2] Werknemers, maar ook werkgevers wisten veelal niet eens dat een overeenkomst was gesloten die een zekere rechtsbescherming meebracht.[3] Ook als dat wel zo was, kon de werkgever de afspraken zo inrichten dat hij niet gebonden was aan ontslagbescherming of loonbescherming.

De wetgever greep in de jaren negentig in met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid. Sommige flexibele contracten kregen juridische erkenning, zoals de uitzendovereenkomst en de keten van contracten voor bepaalde tijd. Deze medaille had twee kanten. Werknemers wisten beter waar ze aan toe waren. Maar werkgevers zagen ook dat hun behoefte aan flexibiliteit nu officieel was erkend en legitiem werd bevonden.[4] Werkgevers en werknemers leerden gebruik maken van de nieuwe contractvormen en al snel werd het gebruik ervan nog populairder.[5] Van de twee doelstellingen van die wet is, als men de balans opmaakt, op het gebied van flexibilisering vermoedelijk meer bereikt dan op het gebied van zekerheid.[6]

Na de flexwerkers van de jaren negentig verschenen na de eeuwwisseling opnieuw nieuwe contractvormen in het landschap van de arbeidsmarkt. Freelancers werden zelfstandigen zonder personeel, zelfstandigen zonder personeel werden ondernemers met een inschrijving bij de Kamer van koophandel en een btw-nummer. Opeens was er weer een groep werkers die in veel gevallen precies het soort werk deed als werknemers, maar die niet of nauwelijks sociaalrechtelijke bescherming genoot. Opnieuw moest het recht zich hiertoe gaan verhouden. Ook dit keer heeft de wetgever aanvankelijk gekozen voor een formele erkenning van deze arbeidsrelatie, met name in het fiscale en socialezekerheidsrecht. Opnieuw heeft deze erkenning tot een ongekende groei van dit type werkende geleid.[7]

Aan de horizon doemen alweer nieuwe contractvormen op, of eigenlijk niet aan de horizon maar achter de smartphone. Nieuwe arbeidsrelaties worden in toenemende mate bestuurd door software. Waar vroeger werkgevers de dienst uitmaakten wordt werk nu verdeeld via een digitaal netwerk en werkers bestuurd door algoritmes.[8] Weer schuurt het recht.

Op dit punt aanbeland vond de redactie van dit tijdschrift het tijd voor een Special met als thema Contractvorm en arbeidsrechtelijke bescherming. De Special komt op een moment dat de afbakening van het arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht volop in de belangstelling staan, met ontwikkelingen op het vlak van wetgeving (de nasleep van de Wwz, de Wet DBA[9]) en rechtspraak (het Care4Care-arrest[10]). Auteurs met verschillende achtergronden is gevraagd naar deze thematiek te kijken met een blik die verder rijkt dan de actualiteit van het moment. Zij laten in twee- of drietallen hun licht schijnen op verschillende aspecten van dit thema.

Albertine Veldman en Diana de Wolff schreven een bijdrage getiteld ‘Privatisering’ van arbeidsmarktbeleid in relatie tot de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Zij constateren dat overheidsverantwoordelijkheid voor bepaalde arbeidsmarktdoelstellingen in toenemende mate is ‘geprivatiseerd’. De vraag is hoe deze tendens zich verhoudt tot flexibele contracten, in het bijzonder de mogelijkheid van het sluiten van contracten voor bepaalde tijd. Brengt de groei van dergelijke contracten de verwezenlijking van arbeidsmarktdoelstellingen in gevaar? Leidt het tot (ongerechtvaardigde) verschillen tussen de vaste en tijdelijke werknemer of zijn er (afdoende) oplossingen voorhanden?

Saskia Montebovi, Alberto Barrio en Paul Schoukens werken in Tilburg aan een project getiteld ‘Grenzen aan atypische arbeid: flexwerk en zelfstandige arbeid getoetst aan Europese beginselen van het socialezekerheidsrecht’. In hun bijdrage ‘De sociale zekerheid en de niet-standaard arbeidsrelaties: ontwikkelingen in Europa en Nederland’ reflecteren ze op de aansluiting tussen het socialezekerheidsrecht en vormen van atypisch werk. Bij dat laatste gaat het bijvoorbeeld om platformarbeid (portfolio work, crowd-work), niet-betaalde arbeidsvormen (sharing activities, stagewerk) en activiteiten die niet volgens een vast arbeidspatroon lopen, maar wel regelmatige inkomsten opleveren (owner-manager activiteiten die kapitaal laten renderen). Ze halen hun voorbeelden uit Europa, maar passen de problematiek toe op de Nederlandse sociale zekerheid.

Paul de Beer en Evert Verhulp buigen zich in hun bijdrage getiteld Is wettelijke regulering de oorzaak van de groei van flexibel werk in Nederland? over de oorzaken van de groei van flexibele arbeidsrelaties in ons land. Het beschikbare onderzoek over deze vraag kan worden opgedeeld in twee benaderingen. De omvang van de ‘flexibele schil’ in verschillende landen kan worden gerelateerd aan verschillen in wetgeving tussen die landen. Ook kan getraceerd worden welke veranderingen in contractvormen zich hebben voorgedaan na veranderingen in wettelijke regulering. Een belangrijke les die uit dit onderzoek in ieder geval getrokken kan worden, is dat het verre van zeker is dat een wetswijziging het beoogde – of gevreesde – effect zal sorteren.

Ten slotte sluiten wijzelf, Saskia Peters en Willemijn Roozendaal, af met een bijdrage getiteld Vrijheid, gelijkheid en broederschap op de arbeidsmarkt van de 21e eeuw. Wij kijken daarin naar de fundamenten van de sociale bescherming en zien hoe het gebouw van het sociaal recht in zijn voegen kraakt. Gelijkheid en solidariteit staan onder druk door de zucht naar vrijheid en niet meer bij de huidige arbeidsmarkt passende regels. Het is daarom tijd voor een herijking. Wij doen dit aan de hand van de waarden van de Franse revolutie. Hoe moet het recht zich aanpassen om meer vrijheid te combineren met meer gelijkheid en solidariteit?



[1] Zie A.E. Bles De Wet op de arbeidsovereenkomst (…). Eerste deel, ’s-Gravenhage: Belinfante 1907 1907, p. 154 respectievelijk p. 164; het citaat komt terug in onze bijdrage in deze Special.

[2] Zie C.J. Smitskam, Flexibele arbeidsrelaties, Sociaal en arbeidsrechtelijke reeks nr. 25, Deventer: Kluwer 1989, par. 5.2.1. en par. 7.2.1.3..

[3] M. Bruyn-Hundt, ‘Flexibele arbeidsovereenkomsten: een structureel gegeven’, SMA 1989, 1, p. 37 en Smitskam 1989, p. 90.

[4] Dit gold ook op Europees niveau, zie bijv. de preambule en algemene overwegingen bij Richtlijn 1999/70/EG inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, PbEG 1999, L 175.

[5] R. Knegt e.a., Tweede evaluatie Wet flexibiliteit en zekerheid, Amsterdam: HSI & TNO 2007, p. 18; H. Houwing, ‘De Nederlandse aanpak van ‘flexicurity’? Onderhandelde ontwikkelingen in de vormgeving van tijdelijk werk’, TRA 2010, 6/7.

[6] Vgl. Houwing 2010, par. 6 en 7: ten aanzien van tijdelijk werk en uitzendwerk slaat de balans eerder door in de richting van flexibiliteit dan van zekerheid.

[7] Rapport IBO Zelfstandigen zonder personeel, 2015, p. 1.

[8] Zie over de platformeconomie o.a. M.S. Houwerzijl, ‘Arbeid en arbeidsrecht in de digitale platformsamenleving: een verkenning’, TRA 2017/14.

[9] Zie de discussie zoals weergegeven in Rapport varianten kwalificatie arbeidsrelatie, Bijlage bij Kamerstukkken II 2016/207, 34036, 64.

[10] HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2356.

Frustreert het tijdelijke contract de gevraagde inspanningen van werkgevers op het gebied van ziektepreventie en re-integratie, employability en work-family balance?

Steeds meer collectief arbeidsmarktbeleid is gedelegeerd naar de markt (denk aan werkgeversverplichtingen op het gebied van ziektepreventie en re-integratie, employability en work-family balance). Hoe verhouden deze langlopende verplichtingen zich tot een discontinue contractsvorm zoals de tijdelijke arbeidsovereenkomst? Frustreert deze contractsvorm het beleid en leidt dat tot ongelijke behandeling? Kan het gebruik van tijdelijke contracten zelfs een middel zijn om te ontkomen aan de opgelegde eleidsinspanningen? Welke oplossingen dienen zich aan en zouden deze eerder moeten bestaan uit het aanpassen van de contractsvorm of uit het opnieuw invoeren van collectieve voorzieningen?

Nu de groep atypische werkenden in Europa toeneemt, groeit ook de vraag naar hun socialezekerheidsbescherming: wat willen en kunnen we?

De toename van het aantal zzp’ers en flexcontractanten leidt tot vragen en problemen rondom hun socialezekerheidsbescherming. Aansluiting bij het huidige werknemers- of zelfstandigenstelsel is niet mogelijk en vaak ook niet gewenst. Bij het zoeken naar een gepaste socialezekerheidsbescherming voor deze groeiende groep niet-standaard werkenden past een grondige analyse van de interne en externe uitdagingen van de standaard arbeidsrelatie. Pas daarna kunnen we reflecteren op een herijking van de huidige socialezekerheidsstelsels. De aanknopingspunten hiervoor liggen zowel in Europa als in Nederland.

Heeft arbeidsrechtelijke wetgeving het beoogde effect op de arbeidsmarkt?

In deze bijdrage gaan de auteurs na wat de effecten van wetgeving op de arbeidsmarkt zijn. Er wordt veel gesproken over de herziening van het ontslagrecht om werkgevers te stimuleren meer werknemers in vaste dienst aan te nemen, en over de aanpassing van de ketenregeling om de ‘doorgeschoten’ flexibiliteit een halt toe te roepen. Maar reikt de macht van de wetgever wel zo ver? De auteurs proberen dat na te gaan aan de hand van de eerdere veranderingen van de wetgeving en de zichtbare gevolgen van die veranderingen op de arbeidsmarkt.

De reikwijdte van sociale bescherming moet worden aangepast om meer vrijheid te combineren met meer gelijkheid en solidariteit.

Op de arbeidsmarkt van de 21e eeuw werken werknemers en zelfstandigen vaak zij aan zij. ‘Loonslaven’ 2 en ‘zelfstandigen’ doen niet zelden vergelijkbaar werk in of voor de onderneming van een ander, de werkgever of opdrachtgever, en verkeren in een vergelijkbare sociaaleconomische positie. Toch vallen beide groepen onder een zeer verschillend arbeidsrechtelijk, socialezekerheidsrechtelijk en fiscaalrechtelijk regime en hangt mede daardoor aan hun arbeid een heel verschillend prijskaartje. Dit geldt zowel voor de onderkant als de bovenkant van de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt is in zekere zin opgebouwd met de idealen van de Franse revolutie voor ogen – Liberté, Egalité, Fraternité. De behoefte aan vrijheid lijkt echter steeds minder goed te verenigen met gelijkheid en solidariteit. Dit is aanleiding om de werkingssfeer van sociaalrechtelijke bescherming te ijken aan deze kernwaarden.