Aflevering 8/9 - 2012

Hieronder treft u uit aflevering 8/9, 2012 aan:

  • de samenvattingen van de artikelen
  • één complete annotatie

De overige annotaties en de complete artikelen van deze aflevering zijn online uitsluitend beschikbaar voor de online abonnees.

Via het archief kunt u de samenvattingen van de artikelen en één annotatie per aflevering eveneens nalezen.

De Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en het arbeidsrecht

Welke betekenis heeft de wet voor arbeidsrechtelijke geschillen?

In dit artikel bespreekt de auteur de nieuwe regeling die het voor de lagere rechter mogelijk maakt ambtshalve of op verzoek van partijen een prejudiciële rechtsvraag te stellen aan de Hoge Raad. Hij gaat daarbij in het bijzonder in op de betekenis die deze regeling heeft voor het arbeidsrecht. De invoering van de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad lijkt hem een belangrijke nieuwe loot aan de stam van (ook) het arbeidsprocesrecht. De meeste toegevoegde waarde heeft de regeling naar zijn mening voor de ontbindingsprocedure ex art. 7:685 BW.

Re-integratie-inspanningen anno 2012: do’s en don’ts

Hoe kan een werkgever een loonsanctie voorkomen, rekening houdend met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep?

De loonsanctie op grond van de Wet WIA bestaat nu ruim zes jaar en de Centrale Raad van Beroep heeft de belangrijkste rechtsvragen inmiddels beantwoord. De lijn die in de jurisprudentie is te ontdekken is dat de werkgever volledig verantwoordelijk is voor de (tijdig) te nemen stappen in het re-integratietraject en de adviezen van de arbodienst. Gaat het ergens fout, dan krijgt de werkgever dit onherroepelijk voor zijn voeten geworpen. Ondanks dit doemscenario zijn er relatief simpele en goedkope mogelijkheden om een loonsanctie te voorkomen. Want de jurisprudentie laat zien dat voorkomen beter is dan genezen.

Houdt het woonlandbeginsel in de sociale zekerheid bij de rechter stand?

Dit artikel gaat in op de recente invoering van het woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. Op grond van dit beginsel wordt de hoogte van een aantal uitkeringen aangepast aan de kosten van levensonderhoud van het land waar de verzekerde of diens kinderen wonen. De vraag is of dit woonlandbeginsel niet in strijd is met een aantal internationale verdragen. Dit artikel geeft een overzicht van de voornaamste juridische haken en ogen.Is de aanpassing van de uitkeringshoogte aan de kosten van levensonderhoud in een ander land in overeenstemming met internationale verdragen?

Vordering tot instelling eigen OR in hoger beroep opnieuw afgewezen

Hof Arnhem 27 maart 2012, nr. 200.096.216

Art. 22, 22a, 25 en 35 WOR

LJN BW0569

Feiten

Helianthos, een onderdeel van Nuon, wordt met sluiting bedreigd. Een aantal werknemers vordert in kort geding dat er voor de onderneming een eigen OR wordt ingesteld, ter vervanging van de bestaande onderdeelcommissie (OC). In de ogen van deze werknemers worden de belangen van Helianthos door de centrale ondernemingsraad, die het adviesrecht over de voorgenomen verkoop of sluiting van Helianthos uitoefent, onvoldoende behartigd. De voorzieningenrechter oordeelt op 22 september 2011 (LJN BT6576) echter dat de medezeggenschap van de werknemers van Helianthos in de bestaande structuur voldoende is gewaarborgd. De werknemers gaan in beroep. Zij verzoeken Nuon te verbieden tot sluiting   over te gaan tot het moment dat de nog in te stellen ondernemingsraad van Helianthos in de gelegenheid is gesteld om te adviseren over een mogelijk voorgenomen besluit tot liquidatie van Helianthos en de personele en sociale gevolgen daarvan.
Nuon verzoekt het hof appellanten niet-ontvankelijk te verklaren, althans de aangevoerde grieven ongegrond te verklaren, en de vorderingen af te wijzen met veroordeling van de werknemers in de kosten van het hoger beroep, onder bepaling dat, indien deze kosten niet binnen zeven dagen na de dag van wijzing van het arrest zijn voldaan, over het bedrag van die kosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de achtste dag.

Oordeel Hof 

Het hof buigt zich allereerst over de ontvankelijkheidsvraag. Zes van de dertien procederende werknemers werken met ingang van 1 januari 2012 niet meer bij Nuon en worden niet- ontvankelijk verklaard omdat zij bij het hoger beroep geen belang meer hebben. De overige zeven worden wel ontvankelijk verklaard. Dat zij op dit moment organisatorisch elders dan bij Helianthos zijn ondergebracht (in een Employability Centre) staat niet aan hun ontvankelijkheid in de weg.
Vervolgens is de vraag aan de orde of deze werknemers nog een spoedeisend belang hebben. Volgens Nuon is dat niet het geval, omdat het adviestraject omtrent de liquidatie van Helianthos al volledig is afgerond. Volgens appellanten kan het door de COR gegeven advies niet gelden als een advies ingevolge de WOR, omdat niet de COR maar de voor Helianthos in te stellen ondernemingsraad ter zake een adviesrecht heeft. Daarnaast liggen er in het kader van de liquidatie van Helianthos (mogelijk) nog adviesplichtige besluiten in het verschiet.
Volgens het hof hebben appellanten onvoldoende onderbouwd dat er met betrekking tot Helianthos nog adviesplichtige besluiten zullen moeten worden genomen. Het hof verwerpt voorts de stelling dat niet de COR maar de in te stellen ondernemingsraad van Helianthos het adviesrecht ten aanzien van de voorgenomen liquidatie toekomt. Over de bevoegdheidsverdeling tussen de medezeggenschapsorganen is door een ter zake ingeschakelde externe deskundige een bindend advies uitgebracht, dat erop neer komt dat de adviesbevoegdheid met betrekking tot het de besluitvorming als gevolg waarvan Helianthos wordt gesloten bij de COR berust. Volgens het hof hebben de werknemers van Helianthos zich via de OC gecommitteerd aan dit advies. Het hof concludeert dat een spoedeisend belang derhalve ontbreekt. Ten overvloede overweegt het hof dat ook wanneer dat belang er wel zou zijn, de gevraagde voorziening niet zou worden toegewezen, omdat van 28 van de 52 werknemers die op 22 september 2011 bij Helianthos werkzaam waren het dienstverband inmiddels is geëindigd. Daarmee wordt op dit moment niet voldaan aan het getalscriterium van art. 2 lid 1 WOR. Dat de terugloop van werknemers het gevolg is van het liquidatietraject maakt dit oordeel niet anders.
De slotsom is dat zes appellanten niet-ontvankelijk zijn in het hoger beroep en dat de grieven van de overige appellanten falen. Appellanten worden als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Nuon.

Commentaar


1 Bevoegdheidsverdeling tussen medezeggenschapsorganen
De bevoegdheden van de ondernemingsraden gaan, indien het een aangelegenheid betreft van gemeenschappelijk belang, over op de centrale ondernemingsraad of de groepsondernemingsraad. Alleen de centrale ondernemingsraad of de groepsondernemingsraad bezit dan het advies-, instemmings-, informatie- en initiatiefrecht. De ondernemingsraden raken door de regeling van art. 35 lid 2 WOR hun bevoegdheden met betrekking tot aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor de meerderheid van de ondernemingen kwijt. Dat zelfde geldt voor de eventuele bevoegdheden van een onderdeelcommissie.  Als compensatie hiervoor kan de centrale ondernemingsraad of de groepsondernemingsraad in zijn reglement een bepaling opnemen dat de centrale ondernemingsraad óf de groepsondernemingsraad, alvorens een besluit te nemen over een onderwerp dat van gemeenschappelijk belang is, de betrokken ondernemingsraden of ook onderdeelcommissie in de gelegenheid stelt van hun oordeel te doen blijken.
Met enige regelmaat rijzen er geschillen over de bevoegdheidsverdeling tussen lagere en overkoepelende medezeggenschapsorganen, in het bijzonder in gevallen waarin één onderneming in het bijzonder getroffen wordt door een meeromvattend besluit. In de overgrote meerderheid van deze zaken delft dan de onderliggende partij (in de regel een ondernemingsraad, maar dat kan ook een onderdeelcommissie zijn) het onderspit, omdat voldoende aannemelijk is dat het besluit voor het concern als geheel van strategisch belang is.
Bij Helianthos is voorafgaand aan de onderhavige zaak de vraag welke orgaan bevoegd was (OC, OR of COR) expliciet aan de orde geweest. In onderling overleg tussen de betrokken medezeggenschapsorganen is een extern jurist ingeschakeld. Aan diens oordeel heeft ook de OC –onder het uitspreken van haar teleurstelling– zich gecommitteerd. Wel kreeg de OC het recht om een (niet bindend) preadvies aan de COR uit te brengen. Maar ook wanneer dit niet het geval zou zijn geweest, lijkt het mij zeer waarschijnlijk dat het adviesrecht zou zijn overgegaan naar de COR vanwege het strategisch karakter van het besluit.

2 Belangen betrokken werknemers voldoende meegewogen?
Ten tijde van het kort geding in september 2011 waren de werknemers van Helianthos vertegenwoordigd in een van de ondernemingsraden van het concern. De OC had het recht adviezen uit te brengen aan deze OR. Volgens de appellanten waren zij op die manier onvoldoende vertegenwoordigd en hadden zij recht op eigen OR. Volgens de kantonrechter was er in casu echter sprake van een gemeenschappelijke OR in de zin van ar. 3 WOR en behoefde er op dat moment geen separate OR voor Helianthos te worden ingesteld. Dat zou anders kunnen zijn als de betreffende OR de medezeggenschap van werknemers van Helianthos onvoldoende waarborgt. Daarvan was volgens de kantonrechter echter geen sprake.
Is eenmaal gekozen voor een bepaalde medezeggenschapsstructuur, en daarbinnen voor een bepaalde bevoegdheidsverdeling, dan gaan wet en rechtspraak er in beginsel van uit dat de verschillende (deel) belangen voldoende vertegenwoordigd zijn. Dat geldt zowel voor de verhouding tussen een overkoepelende ondernemingsraad en de niveaus daaronder, als voor de verhouding tussen een ondernemingsraad en (een deel van) zijn achterban. Zo is in ieder geval onder huidige recht het ontbreken van achterbanberaad geen grond voor aantasting van een besluit dat nadelig uitvalt voor een deel van de werknemers (zie voor een voorbeeld Ktr. Leeuwarden 21 oktober 2009, LJN BK1725, waar de betrokken vakbond zich tevergeefs beriep op het ontbreken van achterbanberaad door de OR).

3 Proceskosten
Art. 22a WOR bepaalt dat de ondernemingsraad niet in de proceskosten kan worden veroordeeld. Dat geldt niet alleen voor geschillen ex WOR, maar voor alle geschillen waarbij een ondernemingsraad partij is (zie HR 20 december 2002, ROR 2003/15; JAR 2003/18). In beginsel zijn de kosten van het voeren van rechtsgedingen voor de ondernemer, op voorwaarde dat hij van te voren in kennis is gesteld van de te maken kosten (zie art. 22 lid 2 WOR). De bepaling inzake de proceskosten geldt ook voor overkoepelende ondernemingsraden en voor de personeelsvertegenwoordiging. De bepaling geldt niet voor onderdeelcommissies (die overigens op grond van art. 15 lid 3 WOR niet bevoegd zijn tot het voeren van rechtsgedingen) en ook niet voor individuele werknemers. Werknemers nemen dus een financieel risico wanneer zij WOR-gerelateerde procedures voeren. Dat risico zal gering zijn als zij op grond van art. 36 WOR de oprichting van een ondernemingsraad vorderen indien er nog geen medezeggenschapsorstructuur bestaat (zie recent Ktr. Alkmaar 22 februari 2012, LJN BV7026), maar in andere situaties is de mogelijkheid van een kostenveroordeling wel degelijk aanwezig.
In het kort geding hadden Nuon en Helianthos op voorhand ingestemd met compensatie van de kosten, mochten de vorderingen van de werknemers worden afgewezen, hetgeen ook gebeurd is. In het hoger beroep lijken de verhoudingen inmiddels wat vertroebeld, gezien de eis van Nuon (gehonoreerd door het hof) dat bij niet voldoening van de proceskosten door appellanten binnen zeven dagen de wettelijke rente gaat lopen. Appellanten hadden overigens in beide procedures forse dwangsommen geëist, om hun vorderingen kracht bij te zetten.

4 Happy end?
Het afgelopen jaar overheerste in de pers sombere berichtgeving ten aanzien van verschillende producenten van zonnecellen en zonnepanelen, waaronder Helianthos. Een poging om het bedrijf te redden mislukte. Uiteindelijk maakte het bedrijf toch een doorstart, zo meldde het NRC op 8 mei 2012.